maandag 21 juli 2014

Vis


Nooit verwacht dat dit mij zou overkomen, maar vorige week kon ik niet anders dan een conclusie trekken en mij gewonnen geven. Tot tweemaal toe zelfs! Beide keren moest ik erkennen dat het genoeg was en zo niet verder kon. Met als gevolg dat ik weer moest gaan schrappen op mijn lijst met mogelijkheden. Niet dat ik geen reëel zelfbeeld heb, ik zag het al wel aankomen. Maar toegeven is vers twee.

Zonder dramatisch te willen klinken, het besef dat de MS mij wat heeft afgenomen was weer eens geland. Zo blijft het proces van inleveren maar doorgaan. Tegelijkertijd is er gelukkig ook nog een redelijk succesvol acceptatieproces gaande. Dat moet ook wel, anders overschrijd ik nodeloos vaak mijn frustratiegrens. Kijk, de teleurstelling van verliezen met een onbenullig spelletje ‘Mens, erger je niet‘ is voor de meeste mensen wel te behappen, neem ik aan. Ook de neiging om bij een dreigend verlies dan maar vals te gaan spelen, zal niet iedereen vreemd in de oren klinken. Oneerlijk verlopen of niet, het spel kan na afloop worden opgeborgen, mijn lichaam niet.

Allereerst heb ik de Zwolse binnenstad in de ban gedaan. Tegen beter weten in ging ik er afgelopen week weer eens heen. Maar na vijf minuten wist ik weer waarom ik hier eigenlijk niet moest zijn. Ik voelde mij als een vis op het droge. Die kinbesturing, normaal gesproken ideaal, leidde alleen maar tot een hoop frustraties door al die hobbels in de straten. Niet veel later heb ik het luid en duidelijk aan mijzelf opgedragen: je gaat nu naar huis en komt nooit meer terug! Alleen nog als iemand anders de rolstoel bestuurt.

De hitte van de afgelopen dagen vormde voor mij de tweede bottleneck. Nu is dat niet zo heel uitzonderlijk, want half Nederland lag op apegapen en vanuit de hoek van de MS-fans zal dit waarschijnlijk het dubbele zijn. Maar waar Geert zich voorheen door niets of niemand liet weerhouden om zijn huis uit te gaan, hooguit dan door een regenbui, is er nu een tweede meteorologische vijand bijgekomen. Hoewel het binnen nog redelijk koel is, heeft de hoge temperatuur van buiten kennelijk toch invloed op de conditie van mijn lichaam.

Vorige week was ik zo eigenwijs om overdag toch nog even naar buiten te gaan. Echter, het gevolg van naar het winkelcentrum gaan is dat er ook een terugweg afgelegd moet worden. Ook al had ik expres rustig aan gedaan bij het boodschappen doen in de qua temperatuur zeer aangename supermarkt, buiten was het weer killing. Wederom dacht ik: wat doe ik hier! Nooit, nooit, nooit ga ik meer met deze warmte naar buiten.

Zoals vaker kwam ik ook ditmaal een bekende tegen. Aan de motivatie ligt het niet, maar in toenemende mate lukt het mij niet om enig geluid te produceren voor een begroeting of een eventueel daarop volgend praatje. Zonder enig geluid zeg ik hallo, in de veronderstelling dat de ander aan mijn mimiek mijn intentie kan zien. Volgens mij lijk ik op dat moment, op een goudvis in een aquarium die in stilte ʺblubʺ zegt.

Warm of niet, eenmaal thuis voel ik mij pas weer echt als die vis in het water.

woensdag 16 juli 2014

Open


De radio staat aan, dus de kans dat mijn uitnodiging gehoord wordt is niet groot. Voor een herhaling van woorden rij ik maar even de gang in. ʺTijd voor pauze!ʺ Dichterbij kom ik niet, want overal staan obstakels. Min of meer gevangen in mijn eigen huis, maar ook nu geldt: wie mooi wil zijn moet pijn lijden.

Aan het gepruttel is te horen dat er koffie wordt gezet, maar de bijbehorende geur ontbreekt. Het aroma zal heus wel ergens in mijn woonkamer hangen, maar op dat moment worden de reukcellen in mijn neus door een dominantere lucht geprikkeld. Sinds dat zo’n uur geleden twee emmertjes met verf werden geopend, hebben verfwalmen alle ruimten in beslag genomen. Ach, het heeft ook wel iets gezelligs.

Samen met een vriend van mij, wordt door de twee meiden de basis gelegd voor een make-over van hun slaapkamer. Twee muren krijgen een nieuwe kleur, een derde wordt wederom gewit. De wens daartoe werd al een half jaar geleden geuit en enigszins achteloos stemde ik daar toen mee in. Maar waar ik had verwacht dat dit voorstel slechts een bevlieging zou zijn, bleek een paar weken later het idee toch nog te leven. Sterker nog, de plannen waren al compleet uitgewerkt.

Regelmatig werd aan mij gevraagd of mijn toezegging nog steeds gold. ʺMaar natuurlijk, mijn oogappeltjes! Jullie wil is nog altijd wet!ʺ Onzin natuurlijk, maar mede door onze, enigszins bijzondere, gezinssituatie doet mij het goed de meiden hierin tegemoet te komen. De enige twijfel hierbij werd veroorzaakt door het feit dat ruim twee jaar geleden dezelfde twee muren op het verzoek van de dames ook al eens voorzien waren van een gekleurd laagje verf. De vraag naar de noodzaak moest ik mijzelf maar niet gaan stellen.

De vorige keer heb ik echter de fout gemaakt om de initiatiefnemende partij te weinig bij het proces te betrekken. Wel bij de kleurbepaling, maar noch bij de aanschaf, noch bij het aanbrengen. Gelet op hun leeftijd, vind ik dat laatste nog steeds gerechtvaardigd. Van een frustratie was destijds overigens niets te merken, maar de laatste weken des te meer. Vermoedelijk om de meest recente wens tot verandering kracht bij te zetten. Er is trouwens nog een grotere stommiteit, welke ik echter weiger te herstellen. Viereneenhalf jaar geleden heb ik in mijn gehele appartement laminaat laten leggen. Alleen op dat ene speciale kamertje kwam een fel oranje vloerbedekking. Leuk, dacht ik. Fout!

Zit ik daar in mijn woonkamer, achter de computer. De koffie pruttelt, tijd om de klussers tot een pauze te manen! Enerzijds baal ik als een stekker. Ik kan nergens heen en even kijken of kletsen kan ook niet. Die lompe rolstoel staat alleen maar in de weg. Het màg zelfs niet! Pas als alles klaar is. Anderzijds ben ik juist blij, want in mijn geweldige huis zijn mijn prachtige dochters hun kamer aan het pimpen. Heerlijk!

Geloof het of niet, maar op dat moment hoor ik Pascal Jacobs van Bløf op de radio zingen: Open je ogen voor mij, loop je geluk niet voorbij.

Alsof het leven mij toezingt.

zondag 6 juli 2014

Signaal


Net gedoucht, maar nog met een duf hoofd, begon met het maken van mijn ontbijt en lunchpakket ook de mentale voorbereiding op de komende dag. Met enige regelmaat ging dit gepaard met een door mijn lichaam gegeven signaal. Een zeurderig pijntje in mijn linker zij, wat de bevestiging gaf van wat ik eigenlijk al wel wist.

Had ik de lesstof wel goed voorbereid? Hoe zou het gedrag van de leerlingen deze dag zijn? Dat je daar geen pijl op kon trekken begreep ik wel, maar ik wist daar toen nog niet goed mee om te gaan. Geen gezonde spanning, het was gewoon stress, verraden door een kramp. Ook als ik even later in de auto zat, op weg naar Ermelo, bleef het aan. Vaak reden we met een paar collega’s samen. Op de terugreis ideaal om stoom af te blazen met elkaar, op de heenweg gewoon leuk, maar kennelijk niet genoeg ontspannend.

Vooral de eerste jaren als groepsleerkracht, vanaf 1995, waren pittig. Ik kwam net kijken, had noch ervaring, noch voldoende zelfvertrouwen. Ik denk dat ik mijzelf in de loop der jaren, ook in mijn beroepshouding, aardig heb ontwikkeld. De grootste omslag kwam echter toen ik na mijn scheiding een nieuw leven moest beginnen. Zelfstandig worden en tegelijkertijd de MS steeds meer moeten toelaten. Noem het te laat, maar het is nu eenmaal zo gegaan. Het lichaam als verklikker is gebleven. Niet alleen signalen als hoofdpijn (te weinig gedronken, hooguit teveel wijn) of misselijkheid (te weinige rust), maar zeker ook de kramp in mijn linker zij, als ik om wat voor reden dan ook gespannen ben.

Na acht jaar werd het, zowel fysiek als mentaal, te intensief en moest ik opgeven. Al snel werd er voor mij een nieuwe functie ontwikkeld. Zonder veel computerkennis werd ik ondersteunend ICT-leerkracht. Bijspijkeren ging vanzelf, al doende leert men. Al met al heb ik nog vijf jaar kunnen blijven werken. Het is geweldig dat destijds de directie mij deze mogelijkheid bood. Ik had ook op een zijspoor terecht kunnen komen.

De enige aan het werk gerelateerde stress, bestond nadien nog uit de vraag of ik ’s middags op tijd bij de trein zou zijn. En dan was het ook nog maar de vraag of ik met mijn scootmobiel de trein in kon worden geholpen. De NS-reisbegeleiding in Ermelo was een taxichauffeur, die hopelijk op tijd was en dan een geel NS-veiligheidshesje uit zijn of haar kofferbak moest graaien.

Dat ik ooit misschien begon als een stresskip, maar later een koele kikker kon zijn, bewijst het voorrangsbord dat op mijn slaapkamer hangt. Om mijzelf deze toe te eigenen ben ik uiteraard niet met een steeksleutel in een paal geklommen. Het is bij een fractie van een fractie minder asociaal gebleven. Gedurende een paar weken passeerde ik in Ermelo een rotonde-in-aanleg en al die tijd lag er in de berm een voorrangsbord, waarschijnlijk om opnieuw te gebruiken. Het glimmende, gele vierkant lonkte, lachte mij toe. Het engeltje op mijn ene schouder sprak zijn afkeuring meer dan duidelijk uit, maar het duiveltje op de andere schouder won. Op een moment dat er niemand te zien was sloeg ik mijn slag.

Een signaal van berouw zal ik wel hebben gevoeld, ik weet het niet meer.