dinsdag 20 februari 2018

Sub


Het was ergens in oktober vorig jaar dat ik op de radio voor het eerst hoorde over ‛The American Dream‛. Niet het verhaal van de krantenjongen die het tot miljonair schopte, maar de tentoonstelling in het Drents museum te Assen met die titel. Er was een hoeveelheid kunst bijeen gebracht rond Amerikaans realisme vanaf 1945 tot nu.

Voor alle duidelijkheid: ik probeer echt niet interessant te gaan doen. Geert heeft dan wel een ietsiepietsie belangstelling, maar is qua kunst absoluut niet onderbouwd met enige kennis daarover. Ik weet gewoon wat ik graag zie en wat niet. Aanvankelijk werd ik trouwens niet warm of koud van de verkondiging op de radio.

Twee momenten laten wordt de boodschap voor mij visueler gemaakt, want er werden namen genoemd van schilders die daar kennelijk onder vallen en daar dus te zien zouden zijn. Andy Warhol, Keith Haring, Edward Hopper. Gaaf! Maar ook bijvoorbeeld Andrew Wyeth, Alex Katz en Chuck Close. Wie? Toch, daar zou ik wel heen willen. Maar niets is meer vanzelfsprekend, dus ook dit plannetje werd vervolgd door een riedeltje aan subvragen. Wil ik dit echt? Is het verstandig? Hoe kom ik daar? Met wie zal ik gaan?

Al snel was het mij helemaal duidelijk dat dit plan zou lukken. Enige twijfel was er betreffende wie ik als metgezel zou vragen. In eerste instantie dacht ik meteen aan mijn vader. Mijn ouders allebei misschien, maar in ieder geval mijn vader. Hij weet veel van kunst en geschiedenis. Hij kan er ook zeer smakelijk over vertellen. Plannen tot een gezamenlijk museumbezoek waren er trouwens al langer. Maar Susanna dan? Zij studeert in Groningen kunstgeschiedenis. En is het niet geweldig om met je dochter op pad te gaan? Tja, ook nu had ik weer een subvraag: wie leegt mijn urinezak, indien dit nodig is. Zij zal dit waarschijnlijk niet erg vinden. Ik wel!

ik had mezelf overduidelijk niet goed voorbereid. Waarom zou ik, met zo’n orakel naast mij! Ik ging met de verkeerde gedachten naar binnen. Eenmaal daar zie ik dat de tentoonstelling in Assen de jaren tot aan 1965 bestrijkt en dat in het Duitse Emden de tweede helft is te zien. Een lichtelijke teleurstelling was het wel! Nauwelijks Andy en Keith gezien, maar desondanks was het een leuke dag. Door de tentoonstelling en door daar samen met mijn vader te zijn. Wat kan hij boeiend vertellen. Wat zou ik graag met hem naar Emden gaan. ‘s Avonds direct maar de subvraag hoe ik naar Emden zou kunnen komen proberen te beantwoorden. Inderdaad, niets is vanzelfsprekend.

Het is nu drie maanden later. Onderwijl is het mij duidelijk dat mijn vader, mijn rolstoel en ik weldegelijk met de trein naar Emden kunnen. Dat wilde ik toch? Ach, laat ook maar. Dit zou voor één dag een te lange reis zijn. De droom is al weggeëbd.

Toen ik enkele dagen geleden met mijn ouders belde vroeg mijn moeder hoe het was gesteld met mijn schrijfactiviteiten. Ik moest helaas erkennen dat de inspiratie even op is. Een writersblock? Op de achtergrond stelt mijn vader quasi-serieus voor: ″dan schrijf je toch over mij?″

Bij deze dan, pa!

vrijdag 26 januari 2018

Voorgevoel


″Mevrouw, u moet weten dat ik geen debiel ben die kwijlend zit te wachten totdat de dag weer voorbij is. Ik heb ook een leven!″ Had ik mijzelf nog zo voorgenomen om rustig en misschien zelfs begripvol te blijven, opdat ik de andere partij beter van hun geklungel zou kunnen doordringen, het lukte mij niet. Aan wie dat lag? Zeg het maar!

″Ik heb voor drie dagen zelfs mijn werk moeten afzeggen″, vervolgde ik mijn tirade. Dit laatste was natuurlijk niet waar, maar ook niet gelogen. Hiermee kon ik de impact van een leven zonder rolstoel op mijn dagelijkse bestaan accentueren. Door de afwezigheid kon ik geen, naar mijn idee zinvolle, activiteiten achter mijn laptop doen. Overigens moest zij zich mijn tirade niet persoonlijk aanrekenen. Don’t blame the messenger. Mevrouw had de pech dat zij onder de vlag van Welzorg met mij moest spreken.

Eigenlijk was ik er al die tijd nogal laconiek onder gebleven. Ruim twee dagen verplicht op bed liggen. Beetje slapen en heel veel Netflix! Al halverwege afgelopen november werd ik gebeld om deze afspraak te maken. Al met al zo’n vijftig uur zou mijn rolstoel in de werkplaats verblijven.

Maar naarmate de datum naderde werd ik toch ongerust, noem het achterdochtig. Er vormde zich een oplopend negatief voorgevoel. Er zal wel weer iets misgaan. Misschien wel alles? Wij hebben het hier immers wel over Welzorg. Dit was puur gebaseerd op de ervaring van het vorige meerdagenproject. Toen waren er door miscommunicatie verkeerde handelingen verricht. Eén onderdeel wat aangebracht moest worden lag zelfs, nog splinternieuw, op de zitting van mijn rolstoel. Een ‘hier, doe het zelf maar’ vulde ik zelf in.

Halverwege het afgelopen jaar had ik nog nieuwe bekleding op mijn rolstoel gekregen. Maar doordat de plank voor mij, waar mijn armen op leunen, niet goed was afgesteld was de bekleding gaan scheuren. Zonde natuurlijk, maar ach, het is maar materie. Zwart stukje tape eroverheen en klaar! Ik stond versteld van mijn eigen relaxte houding hieromtrent.

Toch, toen ik tegenover een iemand van Welzorg melding maakte dat de armplank anders moest worden afgesteld, werd er meteen overgegaan tot het maken van een afspraak om mijn rolstoel wederom van nieuwe bekleding te voorzien. Ik zei niets, kon mij er niet meer druk om maken. Maar ik dacht er het mijne van. Soms hoor je nooit iets, soms wordt er een aanpassing bijna opgedrongen.

De situatie was zo, los van de bekleding, dat een aantal maanden geleden een monteur constateerde dat er onderdelen van mijn rolstoel vervangen moesten worden. Vanaf dat moment kwam de ware aard van mijn vrienden weer naar boven. Het duurde en duurde, met beloftes en excuses. Totdat iemand zei, en dat is echt zo, dan doen we alles in één keer wel als de rolstoel wordt bekleed in januari. Een soort van ’extreme make-over’. Deal!

Totdat ik die ochtend vanaf mijn bed voor de zekerheid bel om te controleren of men niets vergeet. Aanpassingen? Wij doen hier alleen het vervangen van de bekleding. Wij hebben geen andere opdrachten gekregen. Dat moet een volgende keer wel goed aan ons worden doorgegeven! Wie is uw adviseur?

Zie je wel.

zaterdag 13 januari 2018

Tegenspoed


″Nou, u had helemaal gelijk hoor!De glimlach die ik meen te bespeuren op haar gezicht zal wel gemaakt zijn; dat kan ook eigenlijk niet anders. Zij zal zich toch lichtelijk moeten schamen. Plaatsvervangend dan wel, want zij kan er zelf immers niets aan doen. Wie wel? Ik laat ook maar glimlach zien. ″Zie je wel, dat dacht ik al. Helaas pindakaas, kan gebeuren!Onderwijl onderdruk ik een implosie! Ik had liever geen gelijk gehad.

Ze zouden mij toch niet vergeten zijn? Zou ik überhaupt wel bestaan voor hen? Naarmate de dag vorderde kwamen deze vragen steeds vaker bovendrijven. Al bijna vijf uur, vanaf klokslag 11:00, lag ik reisklaar op bed. Gereed om te worden opgehaald door mijn alternatieve taxi naar huis.

Vier dagen daarvoor, dinsdag tegen 17:30, kon ik van twee ambulancebroeders een lift krijgen naar het ziekenhuis. Mijn innerlijke temperatuur was het afgelopen uur vrij snel omhoog gegaan. Op zich geen wereldramp, want half Nederland schijnt op dat moment buikgriep te hebben. Maar ik kampte al met een blaasontsteking en één plus één is bij mij waarschijnlijk iets meer dan twee.

De zaterdag mocht ik weer gaan. Het dilemma betreffende hoe-komt-hij-weer-naar-huis werd eerdere edities van dit ziekenhuisfestijn opgelost door mijn dochter Susanna. Middels de stadsbus wist zij de elektrische rolstoel op mijn ziekenhuiskamer te parkeren. Haar enthousiasme daarbij betwijfel ik. Nu haar leven zich in Groningen afspeelt is deze vanzelfsprekendheid verdwenen.

Oh, daar hoeft u zich geen zorgen over te maken, hoor.Regeren is vooruitzien, dus toen ik op donderdag weer wat reëler kon nadenken begon ik over het rolstoelvraagstuk. Het was een gewone ambulance die mij naar huis zou kunnen brengen, maar in deze hoedanigheid heette deze dan een zorgambulance. Helaas, kennelijk was er wat mis gegaan bij het aanvragen.

De zoveelste antibioticakuur, waar ik aanvankelijk per infuus mee was begonnen, moest ik in tabletvorm thuis verder afmaken. Eitje, bekend verhaal. Ik had voor tot na het weekend pillen meegekregen. Bij de apotheek moest ik dan de overige acht bacteriedoders halen. Knieperds!

″Het recept is net binnen, ik zet deze even in de computer en breng dan dat wat u nodig heeft. Zo klaar, dacht ik nog. Ruim 20 minuten later, ik was duidelijk met de ogen open even weggedommeld, liet ik mij weer horen. Doe ik wel eens stoer dat ik zo berustend ben, dat houdt ook eens op! Ook haar collega vroeg mij geduld te hebben. Het was immers een flinke lijst! Eh, acht pilletjes, toch?

Alsof het zo had moeten zijn zie ik op dat moment, op de achtergrond ergens tussen de kasten, de betreffende medewerkster lopen. Ze draagt een aantal dozen, waarvan de bovenste mij bekend voorkomt. Die heb ik thuis ook staan, denk ik nog. Die daaronder ook! Even later komt zij mij uitleg geven. ″Het was aardig, wat. U heeft veel nodig!

Ik implodeer als zij de door het ziekenhuis gefaxte lijst voorleest. Zij benoemd hulpmiddelen en medicijnen die ik thuis al heb staan. Ik snap niet waarom u dit opnieuw moet invoeren. Staan die nog niet in de computer? Het gaat nu alleen om het onderste medicijn.

Oh sorry, heeft u nog even geduld?


zaterdag 30 december 2017

Hardnekkig


″U heeft het toch niet over enge wormpjes of zo?″, vraag ik tegen beter weten in. Nee hoor, het zijn gewoon weer allerlei bacteriën, die kennelijk bij u nogal hardnekkig zijn.

Vlak daarvoor kreeg ik van mijn huisarts te horen dat er nog steeds allerlei beestjes te zien waren in de urine die ik die ochtend ter controle had ingeleverd. Daar was ik al bang voor geweest. Iets in mij zei dat de blaasontsteking, die zo’n drie weken daarvoor was geconstateerd, zich nog steeds niet gewonnen had gegeven.

Ik moest ‘s middags bellen voor de uitslag. Maar zij belde mij, dus ik wist meteen hoe laat het was. Die ochtend had ik eerst nog getwijfeld over het urine wegbrengen. Het was immers op eigen initiatief dat ik dit zou gaan doen. En wat niet weet wat niet deert, toch? Maar deze ontkenning zou waarschijnlijk aan mij blijven knagen. Het verstand won!

Op de avond van eerste kerstdag kwam ik enigszins misselijk en met idem buikpijn thuis. Trouwens, of het nu om mijn buik ging of om het urinereservoir daaronder, dat wist ik niet zeker, maar ik had zo mijn gedachten. Er was natuurlijk ook nog de mogelijkheid dat ik er met mijn doemscenario van ’het-zal-toch-niet-opnieuw-of-nog-steeds?’ compleet naast zat en gewoon misselijk was. Het was een leuke avond bij mijn ouders geweest, samen met mijn zus en neef, met eten en spelletjes, leuk en lekker! Maar misschien ook te veel en vet? Om daarna als climax dit feest af te sluiten met een vreugdevolle taxirit was wellicht teveel van het goede.

Gelijk als op de heenweg zat ik gedurende de ruim acht kilometer naar huis meer dan een uur lekker te schudden. Kijk, levend met een beperking moet Geert nou eenmaal erg begripvol zijn. Frustraties kan hij maar beter proberen te onderdrukken. Dat is niet erg, ik verwacht dit immers ook van anderen naar mij toe. Uiteraard is te begrijpen dat op een gemiddelde kerstavond veel mensen opgehaald moeten worden om weer ergens thuis af te zetten. De keerzijde is dat de chauffeur en ik langs allerlei adressen moeten. Veel straten, bochten, kuilen, drempels, hobbels, bobbels, klots-klots-klots. Dat mijn rolstoel een goede vering heeft zal ergens goed voor zijn. Niet voor zo’n avond!

Het voornemen om thuis ook nog wat van de avond te maken was verdwenen. Achter mijn voordeur kom ik alleen maar denken aan toilet en bed. Tweede kerstdag leek het er op dat ik geluk had, maar derde kerstdag werd mij duidelijk dat het waarschijnlijk toch weer raak was. Met het dilemma rond urine tot gevolg. Dat ik er toch wel verstandig aan had gedaan was kraakhelder. Niet alleen door het telefoontje van de huisarts, want zonder het wegbrengen had ik mijzelf ook wel uitsluitsel kunnen geven.

Balen, net nu, in deze week waarin ik op een rijtje iedere dag wat leuks te doen heb. Meedoen aan een pubquiz, naar een concert, een verjaardag en daarna oudjaarsavond! Met pijn in het hart moet ik activiteiten afzeggen. Laat ik de frustraties maar onder controle houden en een plaatsje geven.

Die haal ik wel weer in. Ook ik kan hardnekkig zijn.


maandag 18 december 2017

Toevallig



Ik jou wel″, antwoord ik op zijn eerste woorden bij mijn binnenkomst: ″Nee, ik had jou zo niet herkent.Daar kan ik inkomen. In mijn vorige leven zat ik redelijk strak in het pak, 1,88 meter lang en 75 kilo schoon aan de haak. Nu dan wel zwaarder, maar waarschijnlijk nog even lang als toen. Hoewel, een opgeblazen hoofd en een idem buik maakt dat ik door persdruk misschien wel één of twee centimeters heb moeten inleveren. Maar bovenal, het is bijna een decennium geleden dat wij elkaar voor het laatst zagen.

Dat was juni 2008, tijdens een teamfeest, waar uitbundig afscheid werd genomen van mij en enkele collega’s. Feest? Tja, ergens eigenlijk ook niet! Toen ik per taxibusje naar huis ging, werd ik door iedereen uitgezwaaid. Dat was mooi en heftig tegelijk! Jammer dat ik moest stoppen, want ik had het daar erg naar mijn zin. Boeiend werk, fijn team. Maar het kostte steeds meer moeite om mij middels scootmobiel, trein en een slappehap lichaam van Zwolle naar Ermelo, en ook dus terug, te verplaatsen. Om in het lokaal achter een rollator te moeten strompelen.

Had ik nog kunnen doorgaan? Misschien, maar niet lang. Klagen zou ook niet terecht zijn. Ik had van Govert Jan Visser en Annie de Groot, de directie, de mogelijkheid gekregen om te blijven werken. Ze hadden mij vijf jaar daarvoor ook ziek thuis kunnen laten zitten. Een eigen klas runnen lukte niet meer, ondersteunend vakdocent ICT zijn nog wel. Ik? Met computers? Het zelfvertrouwen daarin moest nog groeien.

Het zwarte gat was een angst. De toekomst was onzeker. Verzanden in doemdenkerij was mij destijds niet vreemd. Het was de basisschool waar mijn dochters destijds op zaten die aanbood dat ik wel wat voor hen zou kunnen betekenen. Of ik de tweewekelijkse nieuwsbrief wilde samenstellen. Ja graag! Anno nu doe ik dit nog steeds. Het was afgelopen september dat ik las dat ene Govert Jan Visser op die basisschool interim directeur was geworden. Hij die ik ken? Ja, die dus. Toch maakten wij pas veel later een afspraak en onlangs zagen wij elkaar. Mooi, bijzonder!

Waarschijnlijk gewoon heel toevallig, misschien had het wel zo moeten zijn. Terwijl er net enig e-mailverkeer met Govert Jan was, kwam ik enkele weken geleden Annie de Groot tegen. Zij die ik ken? Ja, die dus. In Almelo, bij een bijeenkomst waar ik als ervaringsdeskundige, waarmee ervaring laat zich raden, voor Stichting MEE IJsseloevers een bijdrage leverde aan een workshop. Ik was nauwelijks de betreffende locatie binnen gerold of ik zie een vrouw voorbijlopen, die een ‘Verrek, die ken ik’ opriep. Ze was alweer verdwenen voordat ik het wist.

Toen ik haar later die dag weer zag, greep ik mijn kans. Ze kijkt mij aan als ik pal voor haar neus stil blijf staan en hallo Annie zeg. Een beetje eigenaardig, maar zij draait haar hoofd ook weer weg. Ik meen te zien dat zij zich ongemakkelijk voelt en ik hoor haar denken ‘moet ik hem kennen?’.

Als ik mij via mijn naam bekend maak, volgt er een slaak van herkenning: ″Géért Jan, wat leuk! Ik herkende jou absoluut niet.


maandag 27 november 2017

Privilege


Sorry, sorry, sorry! Hopelijk hoort Evelien mijn verontschuldiging. Gisteren hadden we online nog even contact gehad. Zes uur eten? Ja, zes uur eten!Ze zal zich afvragen waar ik blijf. Inmiddels zou ik linea recta kunnen aanschuiven. Nee, een ″Godsamme, waar blijft die sukkel mag en zal ik haar maar niet in de mond leggen. Dat zal alleen maar projectie zijn, geloof ik.

Door onze geschiedenis kan ik mij voorstellen dat zij zich heel even zorgen zal maken om mijn onverwachte afwezigheid. Al jaren mag ik om de week op de maandagavond bij haar eten. Voor de zekerheid is er vooraf altijd even een kort contact. Ik geloof dat het mijn geheugen was die hierom vroeg. Mede hierdoor ben ik sindsdien de vaste date slechts een keer compleet vergeten. Een paar andere keren waren er geldiger, medische redenen om afwezig te zijn, maar vergat ik af te bellen. Oh ja, die ene keer dat ik compleet hulpeloos, scheefgezakt in mijn stoel zat, lukte afbellen ook niet.

Op dat moment sta ik bij een bushalte, nog geen twee kilometer verderop. Te wachten op dat wat maar niet komt. In een andere hoedanigheid was ik allang eigenhandig naar huis gegaan, maar omdat het nogal hard regent en ik met mijn rolstoel geen douchebeurt durf te trotseren blijf ik wachten. Hoe laat het is, weet ik niet. Maar aangezien ik rond 16:30 bij de halte ging staan en er ondertussen al drie keer een bus 2 is langsgekomen en nada bus 1, moet het nu tegen 17:15 zijn.

Maar toen de verloren zoon dan toch eindelijk de hoek om kwam gereden, vermoedde ik ergens al dat het snel thuis zijn niet vanzelfsprekend was. Dat het wel eens druk zou kunnen zijn in de bus was tot dan toe slechts een veronderstelling. Het feit dat alle ramen van de bus beslagen waren was al een indicatie dat er zich inderdaad flink wat mensen naar binnen hadden weten te persen.

Ondanks de plensbui moest ik toch maar voor de deuren gaan staan, die meteen open werden gegooid. Er worden vijf mensen naar buiten geworpen, waarvan het van een drietal ook de bedoeling was. De andere twee worstelen zich weer naar binnen. Of ik ook mee wil, vraagt iemand. Kijkend naar de massa in de bus, besef ik dat het een retorische vraag is. Maar ergens knaagt er iets in mijn hoofd. Er is daarbinnen ergens een plaats waar rolstoelen mogen staan. Kunnen de mensen die daar staan wellicht even wat opschuiven? Zou ik deze plaats, al is het slechts in principe, mogen opeisen? Als de deuren zich weer sluiten, komt de chauffeuse nog even naar me toe: ″Sorry!Mijn antwoord laat zich raden.

De volgende editie liet weer lang op zich wachten, maar er was toen zowaar ruimte voor mij. In de bus zie ik veel chagrijnige gezichten, dus openlijk mopperen doe ik maar niet. Als was het om te treiteren, twee haltes verderop blijft de bus even staan en passeren er ons drie bussen 1!

Thuis bel ik Evelien, die met het eten naar mij toe komt. Zij had mij trouwens wel een plaats aangeboden in de bus. Privilege of niet.

woensdag 15 november 2017

Mijlpaal

Gevonden hoor! En in de pocket! Bij de voordeur geen hoge drempel, binnen ruimte genoeg en er is een lift naar boven. Chill hè! Echt, ik ben zo blij dat jij met alle gemak ook langs kan komen! Die kamers die ik tot nu toe kreeg aangeboden waren ongeschikt. No way, dan maar even verder zoeken.″ Suus is dolblij!

Nee hoor, lulkoek natuurlijk! Hooguit in mijn dromen hoor ik mijn dochter dit verkondigen. Zij heeft gelukkig andere, of beter, geen prioriteiten gesteld. Als een student deze überhaupt al openlijk kan stellen in een zoektocht naar woonruimte. Ik zou mij eigenlijk zorgen moeten gaan maken als zij daadwerkelijk alles aan de kant schuift om mij maar op haar kamer te kunnen laten komen. Eerlijk is eerlijk, dolgraag zou ik de mogelijkheid hebben om op haar studentenkamer langs te gaan. Al was het maar voor één keer. Maar anno nu zijn er diverse digitale mogelijkheden waarmee ik mij van achter mijn tafel in Zwolle met het grootste gemak al met één been in haar kamer kan wanen.

Was het op kamers gaan wonen aanvankelijk nog iets van latere zorg, want voorlopig zou zij heen en weer reizen tussen Zwolle en Groningen, binnen drie weken waren de plannen veranderd. Overvolle en vertraagde treinen, gecombineerd met dat wat het studentenleven kan doen met een jonge vrouw, maakten dat zij haar dagelijkse leven buiten de studie om ook in Groningen wilde voortzetten. Bij de derde of vierde kamer was het raak. Dat ik blij voor en trots op haar ben meen ik natuurlijk oprecht. Maar dat ene gevoel is er ook

Dat kinderen zich met de jaren verder ontwikkelen, dat gaat ogenschijnlijk vanzelf. Daar ben ik, ook gelet op mijn situatie, alleen maar blij om. Gelukkig was ik ook in mijn ziekteproces een laatbloeier. Dubbel hierbij is dat de kinderen eens zullen uitvliegen, ergens anders zullen gaan wonen. Het is zoiets als de dag waarvan je weet dat die gaat komen. ‘Loslaten is nou eenmaal moeilijk, Geert’ of ‘ Tja, kleine meisjes worden groot’. Het gaat verder dan de bekende oneliners, hoe waar die ook mogen zijn. Ik word weer even teruggeworpen op mijn ziekte, of eigenlijk het acceptatieproces daarvan.

In mijn nieuwe leven moest ik weer leren om in mijn eentje een bestaan te vullen, maar ook om een zelfstandig vader, co-ouder, te zijn. Naar omstandigheden is dit mij aardig gelukt, denk ik. Steken zal ik hierbij zeker hebben laten vallen. Het ouderschap was en is nog steeds een belangrijke invulling van mijn bestaan. De meiden werden groter en zelfstandiger. Eigengereider en unieker. Ik zag de meiden steeds minder. Ze kwamen heus wel langs bij mij, maar trokken logischerwijs hun eigen plan. Op een gegeven moment wilden ze hier niet meer slapen. Hun ’eigen’ kamer was immers drie minuten fietsen verderop.

Vanaf toen kwam het besef. Dat de toekomst van het vaker alleen zijn steeds dichterbij komt. Bang voor vereenzaming ben ik niet. De vanzelfsprekendheid van kinderen in de buurt verdwijnt. Dit acceptatieproces is allang aan de gang, maar is weer eens onderstreept.

Leuk, binnenkort maar eens naar Groningen. Een Kamer vanaf de stoep bekijken en daarna samen ergens wat eten!