donderdag 16 februari 2017

Babyfoon

Toen de bel ging wist ik het niet zeker, maar had wel een vermoeden wie het was. En als dit klopte, dan wist ik ook hoe laat het ongeveer was. Ergens tussen kwart over zeven en half acht zou hij komen. Klokkijken zat er op dat moment ook al niet in. Bijna drie uren daarvoor was ik verzeild geraakt in deze situatie.

Het kon bijna niet anders of het was de echtgenoot van Winny die aanbelde. Wie? Met Winny heb ik via Marktplaats zaken gedaan en de overname van haar babyfoon door mij werd vanavond afgerond. Ik zou het communicatiemiddel bij hen aan huis ophalen, maar omdat hun voordeur niet goed te bereiken is voor mij en zij toch dichtbij wonen, zou haar man de babyfoon wel komen brengen. Wat ik met zo’n ding moet? Komende week ga ik naar Zuid-Limburg en ik lig daar in mijn eentje op een kamer. Veiligheid boven alles!

Na ongeveer een minuut wordt er een tweede keer op de bel gedrukt. Ik kan de frustratie bij de bezoekende partij voelen. In gedachten zeg ik sorry, de daaropvolgende krachttermen gooi ik er luidkeels uit. Kennelijk kon hij dankzij iemand anders het appartementencomplex binnen glippen, want even later wordt er bij mijn voordeur aangebeld. Tweemaal. Erg vervelend om dit te horen en niets te kunnen doen. Hij moest eens weten!

Sinds enige uren lig ik met mijn neus op tafel. Niet dat ik in één klap naar voren ben gevallen. Het was een sluimerend proces. Tegen half vijf die middag plaats ik mij achter mijn tafel. Wakker geworden van een lange rust en daarna door twee ADL-ers geholpen, vang ik de volgende fase van de dag aan. Mijn laptop staat klaar, zo ook twee glazen water. Terwijl de hulp weggaat, stort ik mij op de glazen water. Nee, een gezellige drinker ben ik niet. Eerder praktisch, dus lurk ik glazen altijd in één keer leeg. Wees gerust, bij bier of wijn doe ik dat natuurlijk niet. Hoewel ik wel zo eerlijk moet zijn dat het nuttigen daarbij ook met bovengemiddelde teugen gaat.

Maar terwijl ik naar voren hang om het eerste glas leeg te drinken, realiseer ik mij dat ik iets te overdadig ben geweest. Oftewel ik hang dusdanig naar voren dat ik de joystick, die tegen mijn linkerschouder drukt, niet meer kan bedienen. Een verloren zaak, paniek! Tegelijkertijd ontdek ik dat dit naar voren zakken mede wordt veroorzaakt doordat een plank die voor mijn lichaam zou moeten zitten, om mijn armen te ondersteunen, niet voor mij zit. Ben ik vergeten te vragen, stom!

Nadat ik eerst nog een tijd min of meer wordt ondersteund, door de joystick tegen mijn schouder, ben ik een uur later overduidelijk al een flink stuk naar voren gezakt en langzamerhand komt mijn borst en dus hoofd op tafel te leggen. Het wordt mij duidelijk dat ik het altijd zal verliezen van de zwaartekracht.

Af en toe lukt het mij om om hulp te brullen. Tegen negen uur die avond hoort mijn bovenbuurvrouw mijn gejammer en even later komen twee ADL-ers bij mij naar binnen.

Had ik maar een babyfoon naast mij staan.

maandag 30 januari 2017

Toewijding


Geheel onverwachts was het niet dat ik mij in het ziekenhuis moest melden. Wel dat het om die dag ging. Morgen moet ik voor deel twee erheen. Ik heb, niet voor het eerst, een steentje in mijn blaas. Een aantal weken terug zag ik het kiezeltje levensgroot op een beeldscherm.  Met allerlei manoeuvres was het korreltje zijn vijand steeds te slim af.

Een uroloog keek met mij mee, onderwijl in een opperste concentratie. Hij probeerde immers met het betreffende grijpertje toe te happen. Driemaal raden waardoorheen dit soort van tangetje naar mijn blaas werd geleid. En dan moest de camera van dienst ook nog eens ergens vandaan komen. Pijn deed het niet, maar prettig is anders. Het speelgoed had wat weg van zo’n geval waarmee men op een kermis horloges of knuffeldieren kan proberen te grijpen. Maar zoals altijd ging het ook nu steeds mis. Na een flink aantal pogingen hield meneer het voor gezien. Het steentje moest maar middels verguizen worden verwijderd, op een OK.

Bij de afdeling Planning werd mij verteld dat ik wel eerst nog een anesthesist moest bezoeken. Of dit gecombineerd kon worden, want dat scheelt mij weer wacht- en reistijd. Nee helaas, maar wel was mogelijk om ‘s middags een anesthesist te bezoeken en na een nachtje opname ‘s ochtends te worden bevrijd van de steentjes. Fijn natuurlijk, maar op het allerlaatste moment waren de plannen kennelijk toch weer veranderd. Of ik ermee akkoord ging dat ik dan iets langer in het ziekenhuis zou verblijven, twee volle dagen. Amehoela, zonde van de tijd. Maar ik kon op de valreep de volgende ochtend komen voor een preoperatief onderzoek.

Waar de uroloog het die enkele weken terug bij verguizen nog over een korte afhandeling had, wat qua tijd misschien ook wel zo is, bleek deze ochtend dat er wel degelijk serieus over dit feestje wordt gedacht. Die ochtend verliep het traject over drie kamertjes, drie gezichten en dus even zoveel wachtruimtes. Dat wist ik op dat moment nog niet en dat was maar goed ook. Geheel synchroon liep het niet, maar van een aantal bezoekers uit de eerste wachtkamer was duidelijk dat zij hetzelfde traject die ochtend moest aflopen als ik. Ook in de tweede en derde wachtkamer zaten dezelfde gezichten.

En wat doet iemand die in de wachtkamer zit? Die pakt een tijdschrift, een krant of natuurlijk zijn of haar smartphone. Behalve Geert. Ik kijk wat om mij heen en observeer. Een jongen van een jaar of 17 verlaat een kamertje, gevolgd door zijn ouders. Geen blaasstenen denk ik, wel loopt hij met krukken. Direct daarop zie ik een vrouw van mijn leeftijd binnenlopen. Ze duwt een rolstoel met daarin een oudere man. Haar vader?

Dit beeld raakt mij, want dat zou ik ook willen betekenen voor mijn ouders. Zij hebben altijd voor mij gezorgd. Sterker, dat gebeurt nog steeds geregeld. Nu zou het andersom moeten zijn. Maar dat zit er niet in. Ja ik kan met hen meedenken, hen adviseren. Maar ik zou hen graag concreet willen helpen, zoals in hun tuin schoffelen, helpen met een computerprobleem of een van hen naar het ziekenhuis brengen.

Helaas!

zaterdag 14 januari 2017

Tasje


Of jij dan ook nog alsjeblieft mijn portemonnee zou willen pakken. Zojuist heb ik boodschappen bij de kassa op de band laten leggen. De vrouw achter wie ik mij in de rij voeg, heb ik daartoe bereid gevonden. Vaak moet ik, als alles eenmaal is uitgestald, snel zijn om de aandacht te blijven vasthouden van degene die mij helpt. Mijn portemonnee moet immers ook nog tevoorschijn worden getoverd. Vandaag heb ik geluk, de vrouw vraagt uit zichzelf of zij nog wat kan betekenen voor mij.

Op zich vraagt een uitleg aan wildvreemden waar mijn portemonnee zich bevindt niet veel woorden, wel energie. Ter ondersteuning van mijn zachte stem knik ik dan met mijn hoofd richting mijn rechter armleuning. Voor mijn gevoel is het hiermee overduidelijk dat mijn portemonnee in het tasje daaronder zit. In de praktijk blijkt dat degene die ik in een dergelijke situatie om hulp vraag, vaak niet direct snapt wat ik bedoel, waar ze moeten zoeken. In een poging objectief te zijn begrijp ik dat en ik mag hen dat natuurlijk ook niet kwalijk nemen. Maar stiekem doe ik dat wel. Ongeduld?

Dit keer weet deze vrouw vrij snel het bedoelde tevoorschijn te toveren. Zij reikt mij hem aan, waarop ik met een hoofdknik ondersteunt voorstel om de zwartleren beurs bij mijn boodschappen te leggen. Oh, stom, had ik kunnen weten. Sorry!Ook krijg ik, zoals zo vaak, de vraag gesteld of ik het niet riskant vindt dat ik anderen mijn portemonnee laat pakken, of erger, namens mij laat pinnen. Maar meestal bedenkt men zelf al een antwoord: hoe anders? Natuurlijk kan het anders, dan zal ik een vrijwilliger moeten fiksen of een van mijn dochters charteren. Die optie wens ik echter niet in te vullen, althans nog niet. Mijn mond en verstand doen het immers nog prima.

In mijn eentje boodschappen doen kan zelfs leuk zijn. Soms wordt hulp spontaan aangeboden, nog voordat ik er om hoef te vragen. Hieruit kunnen korte, grappige, bijzondere ontmoetingen ontstaan. Ik hoor uitingen van respect, medeleven, verbazing of herkenning. Soms wordt men zenuwachtig, noem het onhandig. Eenmaal vond een oudere dame het ongepast om zomaar mijn portemonnee te pakken.

Dat ene groene, katoenen tasje onder aan mijn armleuning is belangrijk voor mij. Onmisbaar, vanwege mijn portemonnee, maar ook omdat ik er een reisurinaal, de zogenaamde Uri-bag, in verberg. Onsmakelijk? Misschien ondertussen wel. Het lapje stof is bedrukt met de Noorse vlag. Ik kocht het in 2011 op de boot terug van Oslo naar Kiel. Op de valreep dus nog een souvenir voor een van mijn dochters. Door haar ondertussen afgedankt vorderde ik het na een paar jaar terug voor mijn rolstoel.

Het tasje mag wel eens vervangen worden. Dan koop je toch een nieuwe? Nu komen mijn ouders op de proppen. Niks ten nadele van mijn ouders, verre van zelfs, die lieverds. Zij jagen voor mij op een nieuw tasje. Mijn moeder struint de markt af, mijn vader internet. Mijn opmerking dat zij daar toch echt niet zoveel moeite voor hoeven te doen, wordt gepareerd. ″Jongen, we doen het graag voor je!″ Daar sta je dan met je 46 jaar!

Wat kan zo’n achterlijk tasje toch veel verhalen dragen.

woensdag 4 januari 2017

Aaibaar


″Holy Smoke, wat is het druk!″ Waarschijnlijk ben ik de enige die mezelf deze constatering hoort uitspreken. Bjorn, met wie ik samen naar het concert ben, heeft zojuist de deuren geopend naar de zaal waar het allemaal moet gaan gebeuren. De rij buiten had al het een en ander verraden. Niet alleen dat het druk was, ook dat er een soort van dresscode was. En over de gemiddelde leeftijd. De meesten in de rij zijn van mijn leeftijd of ouder. Voornamelijk mannen, kaal of juist met lang, sluik haar.

Vanaf de deuren moet ik, diagonaal door de zaal, nog zo’n 15 meter afleggen, totdat ik op de plek ben waar ik wil staan. Maar daarvoor moet ik mij dus wel door een oerwoud van bierdrinkende, zwarte T-shirts met opdruk wurmen. Bjorn schuifelt voor mij uit om een weg te banen. Ik doe de lampen van mijn rolstoel maar aan om hem en dus mijzelf daarbij te ondersteunen.

De vloer is overal egaal weet ik. Desondanks rij ik met enige regelmaat over een hobbel. Dat zijn vermoedelijk de tenen van de mensen die kennelijk niet genoeg aan de kant gaan voor mij. In stilte zeg ik sorry, want een daadwerkelijke poging daartoe zal toch niet slagen. Wanneer mensen niet in de gaten hebben dat ik er aan kom, worden ze door anderen op mij geattendeerd. Geïrriteerd raken hoef en doe ik dus ook niet.

Ik ben weer eens in Hedon. Toch is er sprake van een primeur: ik heb mijn onlangs gekregen spraakversterker bij mij. Ideaal lijkt mij, maar binnen 10 minuten durf ik een conclusie te trekken. Nutteloos, de volgende keer thuislaten. Het geroezemoes is te sterk. De avond verloopt verder meer dan prima. Snoeiharde muziek, regelmatig wordt er een nieuw biertje voor mij gehaald en die keer dat ik voel dat mijn urinezak vol zit hoef ik Bjorn maar aan te kijken en die weet dan wat ik aan hem wil vragen.

Het avontuur na afloop verloopt gelijk aan eerder op de avond. Voor mij uit wordt door Bjorn de weg vrijgemaakt en ik doe mijn lichten aan om de komst van mij en het gevaarte waarop ik zit aan te kondigen. Aai, daar voel ik dat ik weer over iemands tenen heen rij. Vanuit de mensenmassa die ik in een slakkengang doorklief worden zo nu en dan het soort opmerkingen geplaatst die ik wel vaker hoor in een volle zaal in Hedon. ″Zo-ho, jij hebt felle lampen?″ of ″Mooi concert was het, he! Heb je het leuk gehad?″ Ook krijg ik menigmaal te horen dat het gaaf tot supertof is dat zelfs ik naar een concert als dit ga! Een enkeling onderbouwt dit met een schouderklopje.

Ik onderga dit maar gelaten. Reageren heeft geen zin. Het is natuurlijk aardig bedoeld, maar ik voel me behandeld als ben ik een of andere debiel. Klagen doe ik maar niet. Ieder nadeel heeft zijn voordeel. Ik heb in eerdere situaties ook wel eens spontaan biertjes aangereikt gekregen. Kennelijk heeft men in een rolstoel een hoog aaibaarheidsgehalte.

Ik moet denken aan het woord troetel-Marokkaan. Wat zou een mooi equivalent daarvan zijn?

donderdag 22 december 2016

Lijstje

En wat zijn jouw goede voornemens? Niet dat deze vraag openlijk aan mij werd gesteld, noch vice versa. Dat zou ook een beetje vroeg zijn, althans op dat moment in ieder geval wel. Hoewel er volgens mij geen officieuze begindatum is voor het goede voornemens-seizoen.

Over het algemeen wordt het lijstje met één of meerdere afspraken wat iemand met zichzelf maakt voor het komende jaar, of hoelang dit ook wordt volgehouden, pas uitgesproken als de maand januari een feit is. Echter, ook kan het zijn dat de coming-out al op oudejaarsavond plaatsvindt. Misschien omdat anderen ook gewoon open kaart durven te spelen. Of wellicht om wat druk van de ketel te halen, aangezien de tijd zwaar begint te wegen. Op deze oudejaarsavond zijn het immers nog maar enkele uren tot de keiharde werkelijkheid van het nieuwe jaar aanvangt. Met een nieuw leven, inclusief de voorgenomen voornemens, in het vooruitzicht, dus niet altijd leuk.

Nee, een paar weken terug werd ik getriggerd om mijzelf deze vraag weer eens te stellen. Wat de aanleiding hiervoor was weet ik niet meer. Eigenlijk denk ik dat deze er überhaupt niet was. Het komt er op neer dat ik regelmatig over de toekomst nadenk en mijzelf vragen stel. Wat zal deze mij brengen, hoe zit ik er over een jaar bij, over twee jaar? Of over vijf weken? Belangrijke vragen hierbij: wat maak ik er zelf van? Welke kansen grijp ik? Van stil zitten en van wachten op het onverwachte wordt het leven ook niet beter, laat staan leuker. Goede voornemens zal en wil ik het niet noemen, wel gewoon wensen uiten, noem het plannetjes maken.

″En dan is het alweer bijna 2017. Wat vliegt de tijd! Onlangs betrapte ik mijzelf op deze enigszins oubollig klinkende uitspraak, waarmee ik erken onder de indruk te zijn van hoe snel de jaren, maanden, weken, dagen en zelfs uren voorbijvliegen. Klaagde ik? Volgens mij niet, dat zou overigens absurd zijn! Maar jammer is het wel! Is praten over dit onderwerp een teken dat je ouder wordt? Misschien wel, misschien ook niet. Ik kan mij herinneren dat ik als kind de tijd geheel anders beleefde. Wat waren de dagen toen nog lang. Over de zomervakantie maar te zwijgen. Ooit zou de tijd sneller gaan. Wist ik veel!

Na 31 hectische dagen eraan voorafgaand kan januari waarschijnlijk wel worden ervaren als een oase van rust. Of als het zwarte gat na een maand lang geleefd te zijn. December is immers compleet volgeboekt. Sinterklaas, Kerst, kerstvakantie, oud en nieuw, inclusief alle voorbereidingen daartoe. En dan zijn er ook nog eens de lijstjes waar men misschien over moet nadenken. Niet die van de Top 2000, die staat toch wel vast. Wel van: de beste dit, de mooiste dat, de belangrijkste zus, de lelijkste zo.

En dan blijft er op 1 januari 2017 dus nog maar één lijstje over. Dat met goede voornemens. De een heeft er vijf, iemand anders houdt het bij één, twee of gewoon, net als ik, niets. Wensen, plannetjes, doelstellingen, of hoe ik het ook mag noemen, ik heb ze genoeg. Sommigen zelfs al heel concreet. Maar dat hou ik nog even mooi voor mezelf.

Maar ondertussen is het een leuk lijstje.

zondag 11 december 2016

Herinnering


Vergelijk het met de motor van een auto die bij het opstarten blijft zwijgen. Opvallend, omdat er zojuist nog met diezelfde auto is gereden, geen vuiltje aan de lucht! De emotie laat zich raden. Iets tussen verbazing en frustratie. Mijn hersenen doen het uitstekend en de ADL die ik mag ontvangen blijft ook mensenwerk. Echter, onlangs werd weer eens duidelijk hoe afhankelijk ik ben van een technische trukendoos.

Vol verbazing, doorspekt met lichtelijke agressie, reageer ik als mijn voordeur niet meer open wil. Althans, vanuit mijn rolstoel. Tot vijf minuten geleden lukte dit wel, middels het magische knopje bij mijn hoofd, waarachter een ingenieus systeem schuilgaat. Geheel verloren ben ik overigens niet. Er is binnen de zogenoemde omgevingsbesturing nog een manier waarop ik wel de deur kan openen. Het systeem, welke ik ondertussen als geheel naar mijn hersenen toe heb weten te kopiëren, kent drie opties daartoe. Twee snelle en een omslachtige. Drie maal raden welke het dus nu nog wel doet.

Ondanks dat het vrijdagmiddag is en ik het vermoeden heb zo vlak voor het weekend weinig resultaat te kunnen behalen, besloot ik tot een telefonische aanval met als doel het euvel op te lossen. Ik belde naar Welzorg. Het probleem zit immers ergens in de rolstoel, toch? Nee, dan moet u het bedrijf hebben wat over de elektrische deur gaat.Eeh… oh ja, stom, dat had ik kunnen weten. Mijn tweede belletje, naar bedrijf A, was wederom zinloos, want: ″Nee, u moet daarvoor bedrijf B hebben. Wij zijn van de liften. Eeh… oh ja, dom van mij. Bij bedrijf B zat ik bijna goed, maar ik moest de technische dienst hebben. Ik moest een ander nummer bellen. Of ik kon worden doorverbonden? Ja hoor, dat kan ook!

Nu was ik dan wel aan het goede adres, maar ik moest toch een verzoek bij de woningbouwvereniging indienen. Eeh… oh ja, dat is ook zo. Dit verzoek kan alleen per mail. Ook al weet ik uit ervaring dat dit vrij snel wordt beantwoord, het zal wel na het weekend worden. Echter, binnen een uur stond een medewerker van de technische dienst van bedrijf B in mijn woonkamer. Terwijl ik uitleg en wil demonstreren dat er niks gebeurt als ik op het betreffende knopje druk, gaat mijn voordeur gewoon open. Met een bek vol tanden neem ik afscheid van de vriendelijk blijvende, technische man.

Eigenlijk was ik ook wel blij dat ik weer alleen was. Ik was moe, bekaf van alle inspanningen. Alleen die paar telefoontjes kosten mij kennelijk, maar overduidelijk de nodige energie. Terwijl ik aan tafel zit, wat voor me uit staar en enigszins gefrustreerd het afgelopen uur weer laat passeren, komt er een wens bovendrijven. Nu zou ik eigenlijk wel een persoonlijk assistent willen hebben. Iemand die in de meterkast woont. Om te doen wat ADL’ers niet mogen, niet kunnen doen.

Verhip, de wens van iemand in een meterkast had ik acht jaar geleden ook al. Toen, nog geen Fokusbewoner, had ik fysiek nog veel meer mogelijkheden. Maar ik begon tegen mijzelf op te lopen. Nu dus weer!

Het euvel is teruggekeerd, dus nog steeds niet opgelost. Wie het weet mag het zeggen.